Te midden der kampioenen

In het boek “Te midden der kampioenen” schrijft Joris van den Bergh over Piet Moeskops  (5 keer wereldkampioen sprint op de baan) en het feit dat wielrennen meer is dan alleen hardrijden.

 

Door Joris van den Bergh – 1942

Hij meent daarbij iets te hebben opgemerkt en als dan een renner van de middelmaat meer tegenstand biedt en hem veel meer werk geeft, dan hij had verwacht, doet hij een ontdekking die nu door spiritueele renners wordt toegepast, doch welke einde 1919 tot het privé eigendom behoorde.

Waaraan moet ik het nu toeschrijven, dat die kerel zich zoo hardnekkig verdedigde en mij moeite gaf? vraagt hij.

Had hij hoop op winnen?
Aangenomen! Maar wat bezorgde hem dan die hoop?
Hij ging de positie uit den wedstrijd nog eens na.
Hij lag beneden bij de roode lijn en ik lag een paar meter hooger …
Ha! daar had je het.

Je moet niet een paar meter van een renner af passeeren. Je moet kort passeeren, zoo dicht langs hem heen als maar mag. Rakelings moet je langs hem komen. Als je ver van hem af spurt, kan je wel een wiellengte vóór liggen en dan meent de man beneden aan, dat hij nog gelijk ligt. Dat had zijn tegenstander ook gedacht en vandaar, dat deze zoo wanhopig doorzette.

Je moet je tegenstander zoo duidelijk mogelijk laten zien, dat hij achter is, je moet het hem snel bijbrengen, dat hij reeds geslagen is. Wanneer je rakelings op komt zetten en de fietsen om zoo te zeggen vlak naast elkaar liggen, dan zie je zelf en dan ziet je tegenstander het ook heel erg duidelijk, dat je voor bent, al is het maar een banddikte.

Wanneer hij nu, zoo op zeventig à tachtig Meter, ’n voorwiel naast zich ziet komen en dat wieltje ‘bijt’ zoo even naar voren, dat wieltje is maar zóó’n stukje voor het zijne, dan trap je met dien aanzet als het ware meteen den moed uit dien man.

Je breekt zijn tegenstand; zijn hoop en zijn vertrouwen hebben een opstopper gekregen.

Den man zoo kort mogelijk passeeren om hem als het ware zijn achterstand op een presenteerblaadje vlak voor zijn neus te houden, dat is de methode. Je moet je tegenstander tot de overtuiging brengen, dat ’t verder toch onbegonnen werk is. Zoolang hij nog maar een sprankje hoop heeft, zet hij hevig door en … dan kan je nooit weten, wat er nog gebeurt.

En naast het rakelings passeeren wijdt hij nog zijn aandacht aan het moment waarop de aanval moet plaats hebben.

Met meer dan twee renners in de baan wordt dat moment je vaak opgedrongen door de positie, waarin je zit. Maar in de match à deux kan je het moment van den aanval bepalen. Daarin heb je het in eigen hand.

En voor de match à deux komt hij tot de conclusie, dat je moet aanvallen op het moment, waarop de tegenstander zijn grootste snelheid heeft bereikt, onverschillig of dat vijftig, honderd, dan wel honderdvijftig meter voor de streep is.

terug naar het blog overzicht

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *